Accede!
Ideeën en bemoedigingen voor gewonde helpers verbonden met een heelmakende God

Verandering in ons leven

André H. Roosma
updated: 2014-03-07
Een versie van dit artikel is ook verschenen in:
Promise (een uitgave van de gelijknamige stichting), Jrg.24, nr.1, jan.2008, pp.12-19.

Als ons leven bepaald is door negatieve ervaringen die we gehad hebben, of als we zien dat het zo ánders kan, of dat God het zo ánders bedoeld heeft, kunnen we intens verlangen naar verandering in ons leven. Ik denk ook aan hoe we kunnen worstelen met zonden, met slechte gewoonten of met verslavingen. Vaak heb ik mensen horen verzuchten: „ik wou dat ik dat deed!” of: „... dat ik dat niet meer deed!” Wellicht herkent u daar iets van.

Hoe komt er dan verandering in ons leven?

Verandering door verandering van denken?

Er zijn diverse benaderingen die zeggen: „Om te veranderen moet je vooral anders leren denken en anders kiezen. Je denken bepaalt je handelen en je gevoel. Dus, als je je denken verandert, dan verander je ook je leven – je hele handel en wandel!” En sommige christenen voegen daaraan toe: „Je moet je denken en keuzes afstemmen op wat God wil, op wat je leest in de Bijbel!” Men haalt dan Romeinen 12 vers 2a erbij:

„... wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken...”

Het zou er dan in pastoraat om gaan, om mensen te onderwijzen wat de Bijbel zegt, zodat ze dat in hun denken opnemen en er zodoende vanuit leven. Nu klinkt dat dus best goed en ‘christelijk’ en zeker heeft ons denken invloed op ons handelen. Het is goed om niet puur vanuit emoties te leven maar ook nuchter na te kunnen denken over wat je doet, en daar de Bijbel bij te betrekken. De vraag is: is een wat andere manier van denken werkelijk het antwoord? Is hiermee alles gezegd?

Als we gaan kijken naar de oorsprong van deze nadruk op het denken, komen we uit bij de Grieken rond het begin van onze jaartelling. De Grieken achtten -kortgezegd- het denken verheven en het lichaam platvloers. Je kunt zeggen: ze verhieven het menselijke denkvermogen als iets ‘hogers’, ten koste van het lichamelijke, de gevoelens en dergelijke. Later is dit via de Middeleeuwse mensvisie nog sterker in onze hedendaagse theologie terecht gekomen.
Dit heeft een enorm stempel gedrukt op de westerse samenleving. Toen het kennen van God en de verwondering en het gemeenschapsleven afnam in de periode die, mijns inziens grotendeels ten onrechte, wel ‘de verlichting’ wordt genoemd, was de vergoddelijking van het menselijke denken hetgeen dat overbleef. De onafhankelijke mens die zich van God los had gemaakt, onderscheidde zich in feite niet meer van de dieren. Het onderscheid werd gezocht in het superieure denken van de mens.1 Vergelijk de uitspraak van Descartes: „cogito ergo sum” – „ik denk, dus ik ben.” En denk ook aan de biologie en antropologie, die de huidige mens (in tegenstelling tot zijn verre voorouders) zien als ‘homo sapiens’ – de denkende mens.
De onafhankelijkheid van de mens, die alles zelf wel kan be-denken, is in feite de kerngedachte van het humanistisch modernisme en reductionisme dat een enorm stempel heeft gedrukt op onze cultuur in de afgelopen tweehonderd jaar. De mens wil zelf zijn toekomst bepalen en God niet erkennen, geen ruimte laten voor een Schepper Die hem geschapen heeft en Die boven hem staat. Als christenen doen we er goed aan om ons hier niet bij aan te sluiten, zoals ik hieronder nader aan zal geven. O zeker, deze benadering lijkt aantrekkelijk. Het lijkt aantrekkelijk om zelf je toekomst te kunnen bepalen, zonder je te hoeven schikken onder een God Die wellicht over bepaalde zaken anders denkt dan jij. Het lijkt aantrekkelijk om zelf in je verstand alles op een rijtje te hebben, en in je leven alles in je eigen hand. Maar het is een leugen. We hebben vrijwel niets in onze eigen hand. In vergelijking met God weten we vrijwel niets. Wij kunnen onszelf of ons gedrag als mensen niet gezond denken. Zelfs niet met de Bijbel in de hand.
Ruim tweehonderd jaar modernisme heeft het leefklimaat op deze aarde niet echt verbeterd. Integendeel, zou ik zeggen. Kijk maar naar alle ellende die dagelijks in tv- en radionieuws en kranten aan ons voorbij trekt. En dan doel ik niet alleen op oorlogen maar zeker ook op de verloedering dicht bij huis – in onze eigen straten en gezinnen. In dat opzicht geef ik het post-modernisme gelijk: het modernisme heeft zijn idealen niet waar kunnen maken; het heeft gefaald.2 De mens kan zichzelf niet veranderen – ook niet door beter te denken of betere keuzes te maken.

Hoe vinden we dan wél verandering?

Hierboven citeerde ik terloops al een klein stukje uit Romeinen 12. De schrijver van die brief, de apostel Paulus van Tarsus, is wel gekenschetst als een groot denker. Toch hield hij er – geïnspireerd door de Geest van God – gedachten op na die voor de Griekse Romeinen van zijn tijd shockerend moeten zijn geweest. Laten we maar eens kijken naar dat hele gedeelte uit de Romeinenbrief, en het in zijn context lezen. Ik begin even in hoofdstuk 11, bij vers 33 (nadruk toegevoegd).

33 „O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschik­kingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! 34 Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? 35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? 36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.”

Ik lees hier het getuigenis van een godsdienstleraar die – om het even in hedendaagse taal te zeggen – uit zijn bol gaat als hij in een lange brief na elf hoofdstukken even pauzeert alvorens verder te gaan met meer praktische adviezen. Wat is het dat hem uit zijn bol doet gaan, dat hem in verrukking brengt? Het is dat hij stilstaat bij Wie God is in Zijn wijsheid en grootheid en genade – zowel in Zijn gang met het volk Israël als met de christenen die niet uit een Israëlische familie-lijn voortkwamen. Vergeleken met God is de mens maar heel erg klein. Alle kennis en wijsheid komt van God. Het stilstaan bij Wie God is brengt Paulus tot aanbidding: „Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid!” (vers 36).

En in feite geeft hij in vers 36 ook het antwoord op onze vraag, hoe ons leven veranderd kan worden: alleen door God.
Een belangrijk onderscheid met de ‘verander jezelf door anders te denken’-filosofie is dat hier God Zelf centraal wordt gezet, en niet de mens. Boven dit artikel had ik ook kunnen zetten: ‘Over de kleinheid van de mens en de grootheid van God’.

Laten we nu eens vanuit dit perspectief verder lezen in die brief aan de Romeinen:

12:1 „Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst.”

Dit is dus het gedeelte waarvan ik zei: dat zal voor de Grieks denkenden van zijn tijd schokkend zijn geweest. Paulus vat hier de voorgaande elf hoofdstukken samen door te zeggen: als je nu ziet hoe barmhartig, hoe vergevingsgezind en ontfermend God is... Hij richt de blik van zijn lezers op het barmhartige karakter van God. Dáár begint het mee: dat we zien Wie en hoe God is. Dat we daarvan diep onder de indruk komen.
De stap die daarop volgt, zegt Paulus hier, is dat we ons lichaam volledig aan Hem overgeven. Hij gebruikt de metafoor van een offerdier dat volledig aan een god werd gegeven – letterlijk ‘opgeofferd’. Dat spreekt dus ook voor onze situatie van een offer – in de zin van iets dat je opgeeft. Je geeft je eigen (schijn)zekerheden op, je recht om zelf je toekomst te bepalen, en met je lichaam te doen en te gaan en te staan waar je wilt.
Een interessant punt is dat Paulus het hier expliciet heeft over ons lichaam. Waarom schoffeert Paulus hier in feite die Grieken die het lichaam als ongeestelijk en minderwaardig achtten, door het hier zó centraal te stellen? Dat kan niet anders dan bewust zijn. Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat Paulus uit eigen ervaring (zie Romeinen 7) wist dat de zonde en de negatieve patronen vaak via ons lichaam 'binnenkomen': onze ogen zien bijvoorbeeld iets begeerlijks.3 Maar het geeft ook aan dat God ons lichaam wél belangrijk vindt. Dat blijkt ook uit de toevoeging: „levend, heilig en Gode welgevallig”.
Het lichaam omvat alles wat we denken (bewust en onbewust) en voelen en doen. Ons denken en voelen en doen zijn allemaal ‘besmet’ geraakt door de zonde. Alleen door ons bewust lichamelijk aan God over te geven, kunnen we deze ‘besmetting’ kwijtraken.4 In die lichamelijke overgave, mogen we in verrukking raken over Wie God is en net als Paulus Hem aanbidden. God aanbidden – dat zijn we ook grotendeels verleerd. In Paulus’ tijd wist men nog iets van wat aanbidding inhoudt: dat je er je lichaam volledig bij kunt gebruiken. Communicatie-wetenschappers zeggen wel dat we meer non-verbaal, via onze ‘lichaamstaal’ zeggen, dan via onze woorden. We mogen dus gaan her-ontdekken hoe we God met ons lichaam kunnen aanbidden en de eer geven die Hem toekomt.
Bijna speciaal voor de Grieken voegt Paulus er nog aan toe dat deze overgave met je hele lichaam niet meer dan ‘redelijk’ is; het is, ook als je er verstandig over nadenkt, het meest logische en gepaste om te doen.

Na dit vers zou de vraag gesteld kunnen worden: hoe weet ik wat een God welgevallige manier is om mijn lichaam aan God te geven? En dát komt dan in het volgende vers aan de orde:

12:2 „En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene. 3 Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld.”

Kernwoord in vers 2 is voor mij het erkennen. Het gaat hier in de kern van de zaak niet zozeer over een veranderd denken, als wel over een verandering in de houding van ons hart, zoals ook blijkt uit vers 3: zijn we bereid om te erkennen dat we het zelf niet kunnen en zelf niet weten, en dat God alles beter weet? Zijn we bereid ons aan Hem te onderwerpen? Dát is, zegt Paulus letterlijk (gelet op de specifieke Griekse woorden die hij gebruikt), een enorme metamorfose, een totale omwenteling in ons denken, die ons leven niet onveranderd zal laten.

Dit gaat over het opgeven van ons verlangen onafhankelijk zelf alles te kunnen bepalen, en te zien dat we bij God horen.
Een vis die thuishoort in de zee, kan alleen floreren wanneer hij in de zee blijft. Net zo kunnen wij alleen floreren in nauwe verbondenheid met God. Hij was Degene Die ons onze levensadem schonk. Hij was Degene Die Zijn Zoon zond om de verbroken verbinding met Hem weer te herstellen.

Ik moet hierbij denken aan wat Paulus schrijft in Galaten 2 vers 20:

„Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.”

Ook hier koppelt Paulus zijn totale overgave aan God aan hetgeen Jezus voor ons gedaan heeft: Hij heeft Zichzelf in Zijn onmetelijke liefde voor ons totaal overgegeven. Zodat wij hersteld zouden worden in die gemeenschap met Hem waar we thuishoren.

Echte, radicale verandering in ons leven komt door ons dagelijks, met al wat we zijn, gewillig aan God over te geven en geen zaken ‘beter denken te weten’ dan Hij. Dan laten we ons dagelijks gewillig door Zijn Geest vervullen (vgl. Efeziërs 5:18, Romeinen 14:17) en wordt ons leven door Hem van binnenuit veranderd. We krijgen dan die eigenschappen, kernachtig samengevat in Galaten 5 vers 22:

„... de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.”

Door de overgave aan God komen we in de situatie die Paulus zo vaak beschrijft als ‘in Christus’. In Christus is ons leven ge- en verborgen (Colossenzen 3). Ons leven raakt geworteld in Hem en Hij leeft in en door ons heen. Zo gaan we ook in ons leven steeds meer op Hem lijken.

2008-03-20

Onlangs las ik in Leviticus 6 en 7 over de offers die Israël moest brengen. Wat me opviel, was dat een offerdier en al wat er op enig moment van over was, ‘heilig’ was. Het mocht op generlei wijze in aanraking komen met 'onreine' dingen, ‘onreine’ dieren, et cetera. Dat ‘heilig’ betekende dat het apart was gezet voor God. Elke priester die ervan at (er mocht van offervlees worden gegeten – althans bij sommige offers) moest ‘rein’ en ‘heilig’ zijn; dat wil zeggen: zelf ook apartgezet zijn voor God, en hij mocht niets onreins aanraken.
Dit geeft aan dat het dier dat als offer aan God gegeven was, daarmee ook werkelijk apart stond voor God. Dit had grote praktische consequenties, die nauwkeurig in acht genomen moesten worden.
Romeinen 12 vers 1 heeft grote consequenties voor wat volgt vanaf vers 2, c.q. voor ons leven.

Wat het grote verschil maakt

Romeinen 12 vers 1 en 2 vertoont in feite een sterke anti-parallel met enkele verzen uit hoofdstuk 1 van dezelfde brief. Daar beschrijft Paulus een aantal wantoestanden in deze wereld. En hij geeft de oorzaak weer (let op de toegevoegde nadruk):

18 „Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, 19 daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. 21 Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. 22 Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, 23 en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren. 24 Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. 25 Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen. 26 Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. 27 Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende. 28 En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt:...”

Het woordspel in vers 28 is opvallend: door ons denken zijn we in staat om zaken te toetsen en zodoende te behouden of te verwerpen. De mens kon, zegt heel dit gedeelte, uit Gods schepping de grootheid van God zien. Dat te zien, zou ons op de knieën moeten brengen in nederige aanbidding en dank jegens God als Schepper van alles. Dit achtten we als mensen echter verwerpelijk, staat er. Daarin misbruikten we ons eigen verstand, ons denkvermogen, om tegen God in te gaan. Zodoende liet God toe dat we in dat verwerpelijke denken zelf ten onder gingen.
Opvallend is ook dat hier in de eerste plaats zonden genoemd worden waar we intensief met ons lichaam bij betrokken zijn.

De terugweg vanuit die misère, zegt Paulus in feite in beide gedeelten, is dat we ons hart zacht maken, ons bewust zijn van onze eigen kleinheid en God erkennen om Wie Hij is als genadige en barmhartige en verheven Schepper. Vanuit de aanbidding en openheid voor God die dan groeit, kan Hij ons hart van binnen uit vernieuwen – wat natuurlijk zijn weerslag zal vinden in ons leven. Het grote verschil – de metamorfose in ons denken – is of we willen buigen voor God en op Hem willen zien. Daarom schrijft Paulus in vers 3 van 't twaalfde hoofdstuk ook dat we ons denken aan moeten passen bij ons geloof.

Wijsheid van God of wijsheid van mensen

In zijn eerste brief aan de christenen te Corinthe is Paulus wel heel erg duidelijk over hetgeen we hierboven constateerden, waar hij menselijke wijsheid en verstand zet tegenover Gods wijsheid en genade:

1:17 „Want Christus heeft mij ... gezonden ... om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden, om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken. 18 Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. 19 Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. 20 Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? 21 Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen die geloven. 22 Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, 23 doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, 24 maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods. 25 Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen. 26 Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. 27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; 28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wel iets is, zijn kracht te ontnemen, 29 opdat geen vlees zou roemen voor God. 30 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, 31 opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here. 2:1 Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. 2 Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd. 3 Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u; 4 mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, 5 opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God. 6 Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, 7 maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. 8 En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. 9 Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. 10 Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. 11 Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. 12 Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. 13 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. 14 Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. 15 Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. 16 Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten? Maar wij hebben de zin van Christus.”

Het gaat dus om God. Hij is de Bron van wijsheid en verstand. Ons menselijke verstand ziet heel veel niet of niet helder.
Een van de verzen die mij in het bijzonder opvallen in dit gedeelte is vers 12 van hoofdstuk 2: het belangrijkste wat we moeten weten is, volgens God, wat Hij ons in genade geschonken heeft. Hiermee zijn we weer helemaal bij wat ik zei naar aanleiding van Romeinen 11:33-12:1. Het is de ontroering over Gods grootheid en genade die ons motiveert om de controle over ons leven aan Hem over te dragen, en dát betekent een totale omwenteling in ons denken (zie ook vers 2), van een krampachtig: ‘ik weet het’ naar een nederig en enthousiast: ‘God weet het!’ – vol overgave.
Het hart heeft zijn redenen, die de rede niet kent.
Blaise Pascal, in: Gedachten.

Het is niet aan ons superieure denken te danken dat we gered zijn of dat we veranderen, zegt vers 30 van hoofdstuk 1 (let op de woorden ‘verlossing’ en ‘heiliging’), maar het is uit Christus! Hem alleen komt de eer toe!

Het gaat om ons hart en waar we thuishoren

De Spreuken-dichter zegt het duidelijk:

„Bescherm je hart boven alles, want uit je hart komt alles voort wat je doet.”
Spreuken 4: 23 (Het Boek)

In zijn brief aan de gemeente te Efeze is Paulus ook heel duidelijk ten aanzien van waar het om gaat bij het veranderde denken:

4:17 „Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, 18 verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. 19 Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. 20 Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen.”

Christus persoonlijk kennen, d.w.z. vertrouwd met Hem leven, leven vanuit de verbondenheid met Hem, staat diametraal tegenover je hart verharden.

Voorblad van: Die ver is, is nabij
2010-01-26

In zijn boek Die ver is, is nabij – In de relatie met God komt de mens tot zijn recht (Kok, Kampen (NL), 2005; ISBN 90 435 1095 5; p.61), vestigt Wim Rietkerk er de aandacht op dat Paulus eerder in die brief aan de christenen te Efeze (1:18-19) ervoor bad, dat de ogen van hun hart verlicht zouden worden. Niet in de eerste plaats de ogen van hun verstand, maar van hun hart! „Innerlijke visie heeft te maken met hartstocht. Hartstocht voor de waarheid is anders dan kennis van de waarheid. Visie hebben voor iets betekent dat je erdoor geïn­spireerd bent, dat het je gevoel aanspreekt en je raakt en je er helemaal voor wilt gaan.” (cursivering toegevoegd)
Het is precies deze hartstocht voor God, of het ontbreken daarvan, wat het verschil maakt tussen een levende kerk en een dode.

2009-09-08

Psalm 119 spreekt over de goedheid van Gods Thorah – Zijn onderwijzing aan Zijn volk, hun tot heil. De Psalmist zegt in vers 10 en 11 (vgl. ook de verzen 32, 36, 80, 112 en 161):

Ik zoek U met mijn ganse hart, laat mij niet van Uw geboden afdwalen.
Ik berg Uw Woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige.”

Hij zoekt God met zijn hele hart en kan dán Gods Woord in zijn hart – dat ontvankelijk is geworden voor God – bergen.
We behoren God toe. Je hart ontvankelijk maken voor Wie God is en voor wat Hij ons in Christus te zeggen heeft, heeft niet alleen met ons verstand te maken, maar ook met ons gevoel en onze intuïtie, zoals David ook al wist:

„Een ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, (i) om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en (ii) om te onderzoeken in Zijn tempel.”
Psalm 27: 4 (nummertjes toegevoegd)

David ziet hier twee belangrijke dimensies in zijn omgang met God, die van: (i) zijn gevoel en (ii) zijn verstand, en wel in deze volgorde. Met dat eerste: „de liefelijkheid des HEREN aanschouwen” zijn we ook weer helemaal bij Romeinen 11: 33-36 en wat ik daarover zei. Daar begint het, en dan komt het willen „onderzoeken” – dus ons verstand – erbij ter verdieping van onze aanbidding en overgave.

2008-03-04

Levensverandering en de strijd tegen de zonde

„In wezen is elke hulp­ver­lenings-inter­ven­tie die niet uitgaat van een veran­derd hart, symp­toom­bestrij­ding.”
Bart Broekman
in: ‘Angst (2) deel 3 De liefde drijft de vrees uit’, Tijdschrift voor Theologie en Pastorale Counseling, 8ste jaargang, 2de kwartaal 1996, nr.30, p. 57-60.

Veel mensen die ik in het pastoraat spreek, worstelen met een of andere zonde of slechte gewoonte. Ik heb gemerkt, dat ook hierin het beschreven enthousiasme voor Wie God is en voor wat Hij voor ons betekent een belangrijke sleutel tot overwinning is. Overwinning over de zonde is daar, waar mensen zich met vreugde realiseren en herinneren dat ze bij God horen. Zonder dat enthousiasme, vervallen we gemakkelijk in een soort onverschilligheid die de zonde aantrekkelijk voor ons maakt. Als ik enthousiast ben over Wie God voor mij is en wat Hij voor mij gedaan heeft, en over dat ik bij Hem hoor, vind ik diezelfde zonde ineens veel minder aantrekkelijk. Ik moet daarbij denken aan wat Jezus zei, dat wie veel vergeven is, veel liefheeft (en andersom; zie Lucas 7:47), en wat Hij aan de gemeente te Efeze liet schrijven: dat ze niet meer enthousiast waren over Zijn ‘eerste Liefde’ voor hen, en daardoor niet meer zo handelden als toen ze nog wel die eerste liefde beleefden (Openbaringen 2:4-5 5).

In zijn tweede brief (2 Petrus 1) heeft de apostel Petrus het over „deel ... hebben aan de goddelijke natuur” en „ontkomen aan het verderf”. Hij somt dan een heel lijstje deugden op, die op elkaar voortbouwen: ijver, deugd, kennis, zelfbeheersing, volharding, godsvrucht, broederliefde en liefde jegens allen. Hij doet dan de opmerkelijke bewering: „Want bij wie zij niet zijn, die is verblind in zijn bijziendheid, daar hij de reiniging van zijn vroegere zonden heeft vergeten.” (2 Petrus 1:9) Als we niet vergeten van welke zonden Christus ons gereinigd heeft, maar blijven gedenken wat God concreet in ons leven gedaan heeft en daar enthousiast over blijven, dan laat dat ons niet zonder vrucht. Dan herinneren we ons met vreugde bij Wie we horen en dan zullen die deugden in ons leven steeds meer te zien zijn. Dat is de weg om niet te struikelen, zegt Petrus er nog bij (vers 10).

Twee wegen

Er zijn dus twee wegen. De eerste is: (1) zien op onszelf, denken dat we ’t zelf wel ‘redden’ door beter ons best te doen, ‘Bijbelser’ of op enigerlei wijze ‘beter’ te denken, etc. Dit is de ‘doe het zelf’ weg van het humanistisch modernisme, van de van-God-geïsoleerde-mens die denkt het via z’n superieure ratio en wil wel voor elkaar te krijgen om ‘beter’ te leven. Misschien ziet deze weg er heel religieus uit en is hij in goede termen verpakt: ‘je bekeren; goede, Bijbelse keuzes maken’, of: ‘verandering door verandering van denken’. In de kern blijft het de weg die de satan wees in Genesis 3: zelf de kennis en het inzicht willen hebben, en daarvan het goede verwachten. We weten allemaal dat het niet lukt – kijk maar in de gezinnen, in de krant of op het Journaal.
Een aspect van deze weg is dat we gemakkelijk ‘splijten’ als we zo’n theologie aanhangen: we hebben wel heel hoge idealen, we weten met ons hoofd goed hoe het zou moeten. Maar in de praktijk gaan we dan ongemerkt leven vanuit onze eigen geestelijke, relationele en emotionele armoede, vanuit onze tekorten, etc. Om ons duisterder wordende hart te verbergen, gaan we onze buitenkant oppoetsen – ons beter voordoen dan we zijn. We gaan dan al snel ook ons lichaam en/of dat van anderen misbruiken om toch aan onze trekken te komen, of als manier om met onze emoties om te gaan. Die weg eindigt in duisternis, zoals Romeinen 1 duidelijk aangeeft.

Er is ook die andere weg: (2) zien op God, Zijn wijsheid, Zijn rijkdom, Zijn grootheid en genade, Zijn onverdiende blijdschap met ons (zie ook de artikelen over De Aäronitische zegen, Levenslust en vreugde en Ons hoogste levensdoel). We gaan Hem erkennen, danken en aanbidden omdat Hij God is. We zullen ons sterk verheugen in dat we bij Hem horen. Daardoor zullen we ons met geest, ziel en ja, vooral ook: lichaam – d.w.z. met al wat we denken, voelen en doen – aan Hem overgeven. We zijn niet langer gericht op wat we zelf doen, hoe goed we ’t doen of zoiets. We raken vervuld van God – lyrisch over Wie en hoe Hij is. Dat is niet een beetje anders denken, wat andere ideeën of opvattingen hier en daar. Dat is een complete metamorfose in ons, ja, inclusief in ons denken. Dan gaan we echt Leven vanuit de rijkdom en genade die Hij geeft. Dan mogen we – ons verwonderend – dagelijks genieten van Wie God is en van Zijn liefde en genade en van alles wat Hij ons elke dag weer aanreikt. Dat is een leven in onderwerping aan God. We komen daardoor op onze plaats te staan, zoals we bedoeld zijn – in weldadige en liefdevolle gemeenschap met Hem en anderen.
Die weg is bij mensen onmogelijk, maar mogelijk bij God. We belijden Jezus niet alleen voor eeuwig heil, maar erkennen dat we Hem ook enorm hard nodig hebben in het leven van alledag. Hij kan immers ons leven ten goede veranderen en mogelijk maken wat voor ons onmogelijk is! Die weg eindigt dan ook in het licht bij Hem.

Ons oog op Jezus richten

Als we ons oog op Jezus richten, voorkomen we ook dat we te moe worden in onze menselijke kracht, zodat we niet zo gemakkelijk onderuit te halen zijn, zoals Hebreeën 12:2-3 aangeeft (nadruk toegevoegd):

Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke voor Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. Vestigt uw aandacht dan op Hem, Die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt.”
2009-12-15

Tegenover de christenen te Corinthe geeft Paulus aan dat er bij de Joden een bedekking lag over de werkelijke betekenis van het Oude Testament, zoals Mozes zijn gelaat moest bedekken als hij vanuit de tegenwoordigheid van God bij het volk kwam, omdat ze het niet konden verdragen hoe intensief zijn gezicht dan straalde. Hij zegt dan verder:

Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.”
2 Corintiërs 3:18 (NBV)

Met andere woorden, we veranderen doordat we, net als Mozes zelf, rechtstreeks interactie met God hebben; naar Hem opzien in Zijn heerlijkheid en Hem echt leren kennen als ‘van aangezicht tot aangezicht’. Verandering ‘van binnen uit’ komt door de interactie met God; het is het werk van Zijn Geest in ons, en gebeurt als we ons met Hem onderhouden.

En Petrus geeft in het eerste hoofdstuk van zijn tweede brief aan dat we, juist doordat we Jezus kennen, over enorme levensveranderende bronnen beschikken. Hij zegt dan, in vers 9, dat als die verandering bij iemand niet zichtbaar wordt, dat eraan ligt dat die persoon bijziende is – niet goed verder weg kan kijken – en vergeten is hoe hij of zij gereinigd is van zijn vroegere zonden. Met andere woorden: als we ons goed herinneren hoe we door Gods barmhartigheid gereinigd zijn van onze vroegere zonden, helpt dat om, net als Jezus, naar de lange-termijn gevolgen van ons handelen te kijken (zie de tekst uit Hebreeën hierboven) en dan helpt ons dat in het veranderingsproces (zie ook Hebreeën 9:14, 2 Petrus 3:18 en Psalm 62).

Mooi vind ik in dit verband ook wat Paulus over zichzelf getuigt:

„Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.”
2 Corinthiërs 12:7b-10

Daarom kon hij eerder vrijmoedig aan deze gemeente schrijven:

„Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en Die gekruisigd. Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u; mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God. Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid.”
1 Corinthiërs 2:1-7

En:

„Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Here, en onszelf als uw dienaren om Jezus’ wil. Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus. Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons.”
2 Corinthiërs 4:5-12

Koning Hizkia als voorbeeld

In 2 Kronieken 29 tot 32 staat een prachtig voorbeeld van het bovenstaande. Men zegt wel eens dat het Oude Testament een soort plaatjesboek is bij het Nieuwe. Wel, dan is dit zeker één van die mooie illustratieve ‘plaatjes’. Het gaat over koning Hizkia, zoon van een goddeloze koning (Achaz) en een godvrezende moeder: Abia, de dochter van de priester Zacharia. Waarschijnlijk was het ook zijn moeder geweest die hem zijn naam had gegeven – Hizkia betekent: Jahweh is (mijn) kracht. En die kracht (en moed) van God had hij ook wel nodig!

Toen Hizkia koning werd, verkeerde het land Israël is groot verval – geestelijk, moreel, etc. Vijanden dreigden het onder de voet te lopen. Hizkia herkent dan de genade van God en bekeert zich. Vanaf dag één is hij gericht op herstel van de verbondenheid met God en zoekt hij de blijdschap in God (zie 29:4,5). Hij zorgt ervoor dat de tempel, die afgesloten was onder het bewind van zijn goddeloze vader, weer geopend word, en dat er acht gegeven wordt op wat God zegt. Hij zorgt dat de priesters en Levieten zich reinigen, en daarna heel het volk (29:24), gevolgd door verzoening en gehoorzaamheid (30:14). Ook zorgt hij dat de lofprijzing aan God weer hersteld wordt (29:25-28,31; 30:21-22). Als gevolg hiervan heerst er grote vreugde!
Het gevolg: God herstelt het land en zegent hen zeer rijkelijk (31:10). Continu zien we die wederzijdse reactie God – mens. Er komt ook eensgezindheid onder elkaar (30:4) en mensen pakken hun geestelijke taken weer op (30:25-27).

Verantwoordelijkheid

We kunnen ons de vraag stellen: Wat is onze verantwoordelijkheid ten aanzien van verandering in ons leven?

Een antwoord op die vraag is: hard tegen de zonde strijden, of: goed ons best doen om heilig te leven, of: heel ijverig proberen anders te denken.
Stel, dat het lukt, wie krijgt dan de eer?

Het alternatieve antwoord dat ik hier heb aangereikt is dat het in de eerste plaats onze verantwoordelijkheid is God werkelijk God te laten zijn in al Zijn glorie en wijsheid! Dát zal een revolutie in ons denken veroorzaken en een enorme impact hebben op ons hele leven. Dan zullen we, bewust van onze eigen kleinheid en geneigdheid tot de zonde, Hem alle eer geven en in Hem en in Zijn genade onze vreugde zoeken, en dáár vanuit leven. Dán zal God ook de eer krijgen die Hem toekomt!

Breek ik hier een lans om minder denkend bezig te zijn in ons leven? Of om ons maar te laten drijven op emoties? Geenszins!! Het denken is echter niet wat voorop staat. Voorop staat dat we God de plaats geven die Hem in Zijn enorme grootheid en liefde toekomt! En dát betekent een metamorfose, een totale omwenteling – niet alleen in ons denken, maar in ons héle leven, om ons in alles toe te wijden aan de God Die onze toewijding meer dan waard is.

2007-12-24

Bevestiging vanuit de neurologie/hersenfysiologie

Ik vind het opmerkelijk dat recent onderzoek van de hersenfysiologie en de neurologie het bovenstaande bevestigt. Het merendeel van de zenuwbanen in onze hersenen worden gevormd door ‘af te kijken’; door ons als kind visueel te synchroniseren met onze ouders en andere volwassenen, kopiëren we als het ware de structuren in hun hersenen naar de onze.
In intense ervaringen – zowel negatief (traumatisch), als positief (bijv. verliefdheid, aanbidding in volledige overgave) – worden die structuren in onze hersenen als het ware wat ‘plastischer’, als klei die met wat water beter bewerkbaar wordt. Het hormoon cortisol speelt hierin een rol. Bestaande zenuwbanen worden dan gemakkelijker vervangen door nieuwe. Bij negatieve ervaringen helpt dit het vergeten ervan, om toch verder te kunnen. Bij positieve ervaringen, zoals een intense verliefdheid, helpt het om naar elkaar toe te groeien en beter op elkaar afgestemd te raken. Het is juist die intense emotionele afstemming die de vorming van nieuwe zenuwbanen stimuleert, naar het patroon van degene op wie we afgestemd zijn. Dit is ook de reden dat iemand (in zijn of haar hersenen!) muzikaler kan worden door met vreugde zich af te stemmen op iemand die muzikaal is, zoals bijvoorbeeld gebeurt bij een zanger of musicus die zich continu en bij herhaling afstemt op de dirigent. In dans en ballet zie je hetzelfde. Kijken naar de ogen van de persoon met ervaring, helpt in de groei van de vaardigheden, doordat het afgestemde kijken een verandering in de hersenen bewerkt, en dat des te sterker naarmate de emotionele betrokkenheid (wederzijds) groter is.

In ware aanbidding zijn we met heel ons hart en lichaam afgestemd op Wie God is. Aanbidding vol overgave maakt onze hersenen zo ontvankelijk om veranderd te worden naar Gods patroon van denken. Zodoende zal intense aanbidding op zich dus al – langs neurologische en hersenfysiologische weg – een positieve verandering in ons (bewuste en onbewuste) denken tot gevolg hebben.
Hier zien we hoezeer we als mens gemaakt zijn voor de verbondenheid met God, en alleen in die intense verbondenheid volledig tot ons doel kunnen komen.

De rol en taak van pastoraat, prediking en gemeenschap

Aan het begin zei ik dat er mensen zijn die in het kader van het modernisme zeggen dat pastoraat en prediking helpen door goede gedachten over te brengen (educatie helpt). Ik heb dat in feite sterk gerelativeerd. Maar als dit niet de belangrijkste taak van pastoraat en prediking is, wat dan wél? Ik zie als een van de belangrijkste taken van pastoraat, prediking en in feite elk contact tussen christenen: elkaar te bemoedigen om naar God te kijken, van Zijn liefdevolle aanwezigheid te genieten, Hem te eren om Wie Hij is, ons aan Hem over te geven en samen uit Zijn vreugde en wijsheid te putten.6
Ik moet daarbij ook denken aan wat Paulus schrijft in zijn brief aan de Colossenzen (3:16-17):

„Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en bemoedigt en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten. En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!

Wat hier centraal staat en ons leven bepaalt is dat ons hart vol is van God en van wat Hij in Christus en door Zijn woord tot ons zegt.

In 2 Corinthiërs 1:23-2:3 heeft Paulus het over blijdschap. Hij ziet zichzelf als medewerker aan de blijdschap van de gemeenteleden in Corinthe. Een blijdschap, die, naar hij hoopt, ook haar basis vindt in Christus en in de gemeenschap met Hem en met elkaar. De kerkgeschiedenis laat overduidelijk zien dat ons eigen denken daar maar héél weinig aan toevoegt... Maar wat verwachten we ook, als we zien op de enorme oceaan van Gods gedachten, Zijn wijsheid en Zijn liefde? Die zee past toch niet in ons kleine emmertje...


Dankbetuiging

Twee mensen wil ik hartelijk bedanken: mijn vriend en taalkundige Werner Horlings voor zijn inbreng betreffende een aantal begrippen in de Griekse grondtekst van de Romeinenbrief, en mijn vriend en Bijbel-leraar Hans Dercksen voor zijn opbouwende review van dit artikel.
 


Voetnoten:

1
2009-10-05
Het Bijbelse onderscheid is dat alle dieren naar hun eigen aard en de mens naar het beeld van God geschapen is. Dit houdt onder andere in dat de mens een geest heeft en een relatie met God kan hebben. Hiervan afgeleid zijn vaardigheden die te maken hebben met reflectie (incl. mentaliseren), taal en kunnen leren van de geschiedenis.
2 Zie ook het artikel: Het modernisme en de vrienden van Job.
2009-04-27

Treffend vond ik in dit verband het volgende citaat van - nota bene - de humanistisch filosoof prof dr Henk Manschot: „Mij schokte de vaststelling van Foucault dat het Verlichtingsproject van vrije en gelijke burgers alleen maar kon slagen door het stelselmatig aan het oog onttrekken van zieken, ‘gekken’, ouderen en mensen met een handicap die aan het autonomie-ideaal niet voldeden;...” (bron: Aart Deddens & Jan Hoogland, ‘Kritisch humanisme - Humanist prof dr Henk Manschot houdt autonomie-ideaal onder schot’, Beweging, Jrg.67, nr.3, najaar 2003, p.11; de referentie naar Foucault is ontleend aan diens Geschiedenis van de waanzin).
3 Ik moet hier denken aan het gebeuren uit Genesis 3: de boom waarvan de mens wist dat het niet goed was om ervan te eten zag er begeerlijk uit...
4 Ik vind het opvallend, dat o.a. neurowetenschappers in de laatste 10 jaar steeds meer ontdekken, hoe allerlei ervaringen in ons lichaam worden opgeslagen en via emoties en via ons onderbewuste ons leven sterk beïnvloeden. Slechts een zeer klein deel van ons handelen blijkt door bewuste keuzen van ons denken bepaald te worden... Ik ben het met Paulus eens: „O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!”...
2009-07-31
Bij wat ik in deze alinea’s van het artikel schrijf, moet ik ook denken aan wat Dallas Willard schrijft in zijn artikel ‘The Human Body and Spiritual Growth’ (uit: James Wilhoit (Ed.), Christian Educator’s Handbook on Spiritual Formation):
„... Jesus Himself is the primary witness to the unity of flesh and spirit before God. Long before His entry into history, however, the Psalmist spoke of his body or flesh longing for God (63:1), of his "heart and flesh crying out for the living God" (84:2), and calls upon all flesh is to "praise his holy name for ever and ever." (145:21) ...
Through the power of God which raised Christ from the dead, Paul tells us, "our bodies are members of Christ himself." Our body does not even belong to us, but has been bought by Christ, who gives it a life 'from above' and opens the way for us "to honor God with our body." (I Cor. 6:13-20) Thus we can "offer our bodies as living sacrifices, holy and pleasing to God," this being "our spiritual act of worship." (Romans 12:1) ...
Of course one cannot overcome the hardened patterns of desires by force of will alone. Rather, it is as we by faith place our bodily being in subordination to Christ that we experience a new presence in our members, moving them toward the good things of God and allowing the old bodily forces to recede into the background of life where they belong. Thus it truly is "by the spirit" that we "put to death the misdeeds of the body." The natural desires, and my body itself, remain with me, of course, but now as servants of God and of my will to serve Him, not as my masters.”
En in ‘Conversation with Dallas Willard About Renovation of the Heart’ (een interview door Lyle SmithGraybeal voor Perspectives, een publicatie van Renovaré, October 2002):
„... the heart of the matter is ... we can’t be spiritually transformed by just focusing on the will.”
5 Voor een goede bespreking van wat hier met ‘eerste liefde’ wordt bedoeld, zie het boek Wiens liefde is het eigenlijk? van Judson Cornwall & Michael S.B. Reid
6 Zie ook de referenties naar het werk en gedachtengoed van John Piper, hieronder. Zijn belichting van Psalm 43: Ik zal naderen tot God, mijn hoogste vreugde (pdf document) is wel een heel duidelijk voorbeeld!

Literatuur

Het onder de indruk komen van Gods grootheid en genade, en het daardoor onszelf aan Hem overgeven, waardoor ook ons leven en denken verandert, kwam ik onder andere – en weel heel duidelijk – tegen in de boeken en preken van John Piper:

John Piper, Jezus zien en ervaren – en intens van Hem genieten, Gideon, Hoornaar, 2003; ISBN: 90 6067 976 8 (vertaling, door An Molenaar, van: Seeing and Savouring Jesus Christ, Crossway / Good News Publ., Wheaton, 2001).

   voorblad van:
Vechten voor vreugde
     van John Piper

John Piper, Vechten voor vreugde, Het Zoeklicht, Doorn, 2006; ISBN 978-90-64510-91-5 (vertaling, door D. van der Schaaf, van: When I Don't Desire God, Crossway Books, Wheaton Ill, 2004; ISBN 1-58134-652-2).

John Piper, Verlangen naar God, De Banier, Utrecht, 2005; ISBN: 90 336 0458 2 (zie ook het artikel ‘Geschapen om van God te genieten’ in CV-Koers, januari 2006; en een boekrecensie erover in CV-Koers, nov. 2005.) (vertaling van: Desiring God, Multnomah, 2003, ISBN: 1590521196).

Toepasselijk hierbij vind ik de preek van John Piper over Psalm 43: Ik zal naderen tot God, mijn hoogste vreugde (pdf document; zie ook het Engelstalige origineel of luister naar de .mp3 versie ervan of bekijk de .mov versie).
Piper – op dat moment zelf herstellende van kanker – illustreert in deze preek duidelijk hoe de Psalmist ook worstelt met zijn eigen onmacht en wat menselijkerwijs onmogelijk is. En hoe hij daarom gaat bidden om Gods licht, Gods waarheid en te zijn bij Gods altaar – de plaats van verzoening met God uit genade. Heel mooi komt naar voren wat Gods ultieme doel met ons leven is en welke stappen wij in die richting kunnen nemen.
Zie ook de website van John Piper: ‘Desiring God’, met daarop o.a. deze preken van hem: Worship – The Feast of Christian Hedonism (n.a.v. Psalm 63:5-6), The Happiness of God – Foundation for Christian Hedonism (n.a.v. Jer.32:36-41).

Zie ook:

Wilhard Becker, Hoe moeten wij bidden – onze verhouding tot God in het gebed, J.N. Voorhoeve, Den Haag, 1974; ISBN 90 297 0363 6; (vertaling, door H.J. Teutscher, van: Nicht PLappern wie die Heiden, ... ).

2007-10-28

Tony Campolo, Het Koninkrijk van God is een Feest – Gods radicale plan voor Zijn familie, Time to Turn / Telos/ Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2007; ISBN 978 90 5881 354 1 (vertaling van: The Kingdom of God is a party, God’s radical plan for His family, Thomas Nelson, 1992; ISBN-10: 0849933994 ISBN-13: 978-0849933998).

2008-03-04

Judson Cornwall & Michael S.B. Reid, Wiens liefde is het eigenlijk?, Sharon, Waddinxveen NL, 199x (vertaling van: Whose love is it anyway?, Sharon, Pilgrims Hatch Brentwood Essex GB, 1991).

Larry Crabb, Zoektocht naar God, Medema, Vaassen NL, 1995 (vertaling door Leontien Elbers-Savert, van: Finding God, Zondervan, 1993).

2008-03-20

Antonio R. Damasio, De vergissing van Descartes – gevoel, verstand en het menselijk brein, Wereldbibliotheek, 1998, ISBN: 90 2841829 6 (vertaling uit 1995, door Liesbeth Teixeira de Mattos, van: Descartes’ error – emotion, reason and the human brain, Putnam / AVON Books, New York, 1994).

Joy Dawson, Vertrouwelijke omgang met God – door het kennen van de vreze des Heren, Gideon, Hoornaar NL, 1990 (vertaling van: Intimate Friendship with God – Through understanding the fear of the Lord, Fleming H. Revell, Old Tappan NJ, USA, 1986).

2008-03-22

Gerrit Glas, ‘Emotie, neurobiologie en de toekomst van de psychotherapie’, Tijdschrift voor Psychotherapie, 2004, jrg. 30, nr. 1, pp.6–21.

O. Hallesby, Het Gebed, J.N. Voorhoeve, Den Haag, ongedateerd (vertaling door E. Voorhoeve - van Oordt, van: Prayer, IVP.)

Voorblad van: Hunkeren naar Gods volheid

Jane Hansen, Marie Powers, Bestemd voor intimiteit – Gods prachtige blauwdruk voor man en vrouw, Bread of Life, Vlissingen NL, 2000; ISBN 90 75226 27 6 (vertaling door Maria J. Neeteson, van: Fashioned for Intimacy, Regal Books (Gospel Light publ.), Ventura California USA, 1997; ISBN: 0830723218).

Jack Hayford, Hunkeren naar Gods volheid, Gideon, Hoornaar NL, 1991 (vertaling door Hans Cornelder, van: A passion for fullness, Word, USA, 1990).

2009-10-11

Joost Hengstmengel, ‘Voor de Grieken een dwaasheidpdf document, web-artikel, 18 juli 2008.

2010-12-19

Timothy Keller, ‘Four Models of Counseling in Pastoral Ministrypdf document, Redeemer City to City, New York, web-artikel, ongedateerd.

2014-03-07

Timothy Keller, ‘Hoe verander je - Galaten 5 - Vrucht van de Geest’, op PrekenTimKeller.blogspot, 2013-01-22 (preek uit april 1998).

Thomas à Kempis (Thomas Hemerken van Kempen), De navolging van Christus (vertaling uit het Latijn door Is. van Dijk), H.D. Tjeenk Willink & Zn, Haarlem, 1909 (3e druk, 1918).
Een Engelse vertaling (door Aloysius Croft en Harold Bolton): The Imitation of Christ, The Bruce Publishing Company, Milwaukee, USA, 1940; is beschikbaar op het web.

Voorblad van: Kind aan Huis

Brother Lawrence (Nicolas Herman; Frère Laurent), Besef van Gods tegenwoordigheid, Gideon, Hoornaar NL, 1999 (eerder uitgegeven als: Licht in ons hart, Carmelitana B; vert. door: J.B.M. Laudy; van diverse Franse geschriften uit 1692/94).

voorblad van: De Helper

Brennan Manning, Kind aan huis – Verlangen naar intimiteit met God; Navigator Boeken, ISBN: 90 7659 641 7 (vertaling van: Abba’s Child – the cry of the heart for intimate belonging, NavPress, Colorado USA, 1994).

Catherine Marshall, De Helper, Gideon, Hoornaar, 1982 (vertaling, door J.H. Cornelder, van: The Helper, Chosen Books, USA, 1978).

Josh McDowell (with Dale Bellis), Evidence for joy – Unlocking the secrets of being loved, accepted and secure..., Word, Waco TX USA, 1984; ISBN 0 85009 055 5.

Watchman Nee, A living sacrifice, Christian Fellowship Publ., New York USA, 1972.

Voorblad van: Van Aangezicht tot Aangezicht

Jessie Penn-Lewis, van Aangezicht tot Aangezicht, Moria / Evangelische Wereld Pers, Amsterdam NL, 1981 (vertaling van: Face to Face, The Overcomer Literature Trust, Great Britain).

Zac Poonen, Radiating His Glory, Kingsway, Eastbourne E.-Sussex GB, 1982.

Voorblad van: Die ver is, is nabij
2010-01-26; sterk aanbevolen!

Wim Rietkerk (red. Marleen Hengelaar-Rookmaaker), Die ver is, is nabij – In de relatie met God komt de mens tot zijn recht, Kok, Kampen (NL), 2005; ISBN 90 435 1095 5.

André H. Roosma, Leven vanuit Gods genade en vreugde (mp3 geluidsbestand); preek over hetzelfde thema van levensverandering als in dit artikel, gehouden in de Zevende-dags Baptistengemeente Leeuwarden op 17 febr. 2007; zie ook de bijbehorende presentatie pdf document.

André H. Roosma, Over zonde, leugens, pijn en gebondenheid – uitgangspunten en doelen van christelijke (pastorale) counseling; webartikel op deze site.

André H. Roosma, Ware aanbidding – over wat aanbidding inhoudt en wat het belang ervan is; webartikel op deze site.

André H. Roosma, Het modernisme en de vrienden van Job; webartikel op deze site.

André H. Roosma, Leven als kinderen van de Koning – wat ik leerde over pastorale hulpverlening uit Romeinen 14:17; webartikel op deze site.

André H. Roosma, Ons hoogste levensdoel: Innige verbondenheid met God – de ultieme bron voor levensvervulling en gezond leven; webartikel op deze site.

André H. Roosma, Drie verhalen – die een centrale boodschap vertegenwoordigen; webartikel op deze site.

André H. Roosma, ‘De bleek’ - over een najaarszonnetje en een ervaring van decennia geleden; webartikel op deze site.

2008-10-16

Eugen Rosenstock-Hüssy, ‘Farewell to Descartes’, hoofdstuk 1 in: Eugen Rosenstock-Hüssy, I Am an Impure Thinker pdf document, Argo, 2001; ISBN: 0 912148 56 X; p.1-19.

J. Oswald Sanders, Enjoying intimacy with God, Moody Press, Chicago USA, 1980.

Jeffrey Burke Satinover, Psychology and the Abolition of Meaning, First Things 40, February 1994; p.14-18.

Voorblad van: The knowledge of the Holy

A.W. Tozer, Het kennen van de Allerhoogste, Pieters, Groede NL, 1985; ISBN 90 60 85 149 8 (vertaling van: The knowledge of the Holy).

A.W. Tozer, Nuchterheid en extase – gedachten over het geestelijk leven, Het Zendingsboek, Zeist, ongedateerd (jaren ’60?); heruitgave: Pieters, Groede, 1978; ISBN: 90 6085 125 0 (vertaling door Reina Brucks).

A.W. Tozer, Verlangen naar God, CAMA Parousia gemeenten / CAMA Zending / Novapress, 1995; ISBN 90 6318 075 6; (vertaling, door P.J. de Gier, van: The Pursuit of God, Christian Publications, 1982).

voorblad van De Verborgen Kracht

Ingrid Trobish, De verborgen kracht – Geworteld zijn in de zekerheid van Gods liefde, Kok Voorhoeve, Kampen NL, 1989 (vertaling, door Aafje Beijer, van: The Hidden Strength – Rooted in the Security of God’s Love, Here’s Life, San Bernardino, 1988).

Philip Troost, Christus ontvangen – Gereformeerd en charismatisch: leren van elkaar, Kok, Kampen, 2006; ISBN 90-435-1213-3.

John White, God’s pursuing love – The relentless tenderness of God, IVP, Downers Grove Ill USA, 1998; ISBN 0 8308 1944 4.

Warren Wiersbe, In Gods dienst, Telos / Medema, Vaassen, 2003; ISBN 90-6353-400-0 (vertaling, door Sophie Van Houtryve, van: On being a servant of God, Oliver-Nelson, USA, 1993).

Andrew Murray, Volkomen overgave, Gazon, Den Haag, ongedateerd (begin jaren ’70) (vertaling door M. de Weeger).


De beschreven ‘verander jezelf door anders te denken’-filosofie kwam ik onder andere tegen in de volgende boeken:

Larry Christenson, Wordt hervormd – door de vernieuwing van uw denken, Gideon, Hoornaar, 1976, ISBN 90 6067 233 X; (vertaling, door E.D. Boissevain, van: The renewed mind, Bethany Fellowship, 1974).

Walter Barrett, Jef De Vriese, Helpen met de Bijbel – inleiding tot pastorale counseling, Gideon, Hoornaar NL, 1986; ISBN 90 6067 388 3.

William Backus, Telling the Truth to Troubled People – a manual for christian counselors, (Telling the Truth-series), Bethany House, Minneapolis MN, USA, 1985; ISBN 0 87123 811 X.

Hiernaast is deze benadering ook te vinden in veel RET (Rationeel Emotieve Therapie) -gebaseerde benaderingen, in de literatuur die uitgaat van een management-gebaseerde gemeentevisie (zoals van Rick Warren) en bijv. in de boeken over pastoraat van Jay Adams.
Ik benadruk dat ik niet zeg dat hier niets goeds in zit of dat deze benadering niet ‘werkt’. Wel dat deze benadering in een zeer beperkend humanistisch-modernistisch kader staat en zich ten onrechte op Rom.12:2 beroept. Kenmerkend vind ik hoe weinig er over de grootheid en genade van God gesproken wordt en hoe weinig de mens gezien wordt vanuit de persoonlijke betrokkenheid met zijn Schepper en met elkaar onderling. Dit is kenmerkend voor het modernisme.
Een werkelijk Christo-centrische benadering zal Christus verheerlijken als onze Schepper, Redder en Heer. In en door die aanbidding en overgave komen we op onze rechtmatige plaats als mens en zal ons leven veranderen – op een zódanige wijze, dat God de eer krijgt.


Meer informatie of suggesties

Voor meer informatie, of uw reactie op het bovenstaande, kunt u contact met me opnemen via e-mail: andre.roosma@12accede.nl.


home   of  terug naar de artikelen index

Bedankt voor uw belangstelling!

© André H. Roosma , Accede!, Zoetermeer, 2007-01-21 / 2014-03-07; alle rechten voorbehouden.